1. Accueil
  2. Kinderrechten
  3. Het Kinderrechtenverdrag
Het Kinderrechtenverdrag

Het Kinderrechtenverdrag

ALLE KINDEREN TER WERELD HEBBEN DEZELFDE RECHTEN

Wat staat er nu precies in het Kinderrechtenverdrag ?

Je leest het hier, voor de gelegenheid in begrijpbare taal.

  1. Kinderrechten tellen voor iedereen die jonger is dan 18 jaar. Zowel kleuters van 3 jaar als jongeren van 17 worden beschermd door het Kinderrechtenverdrag.
  2. Kinderrechten gelden voor alle kinderen. Niemand mag uitgesloten worden. Of ze nu blank zijn of zwart, arm of rijk, dik of dun, de kinderrechten zijn er voor alle kinderen.
  3. Wanneer volwassenen iets beslissen, moeten ze altijd goed nadenken of wat ze doen wel goed is voor kinderen.
  4. Alle landen in de wereld moeten ervoor zorgen dat de rechten die in het kinderrechtenverdrag staan ook echt gerespecteerd worden.
  5. De verzorging en de bescherming van kinderen gebeurt in de eerste plaats door hun ouders en hun familie.
  6. Kinderen hebben het recht om zo goed mogelijk te leven en op te groeien.
  7. Elk kind heeft bij de geboorte het recht op een naam en het recht om zijn ouders te kennen en door hen verzorgd te worden. Kinderen hebben ook het recht om in een land te wonen. In België is dat allemaal goed geregeld. Je krijgt bij je geboorte een voornaam en een familienaam. Zo ben je offi cieel Belg.
  8. Ieder kind moet zijn naam, woonplaats en familie kunnen behouden.
  9. Elk kind heeft het recht om met zijn ouders samen te leven. Indien dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld wanneer de ouders gescheiden zijn of wanneer de ouders het kind mishandelen, behoudt het kind het recht te weten waar zijn ouders zijn en mag hij ze blijven zien.
  10. Om bij zijn ouders te zijn, heeft elk kind het recht om een land te verlaten en terug binnen te komen.
  11. Een kind mag niet zonder de toestemming van beide ouders meegenomen of vastgehouden worden in het buitenland want dat is ontvoering.
  12. Elk kind heeft recht op een eigen mening. Met die mening moet rekening gehouden worden. Bij een belangrijke beslissing die over het kind gaat, moet eerst zijn mening gevraagd worden.
  13. Ieder kind heeft recht op informatie. Het kind mag dus alles weten wat nodig is om een mening over iets te hebben. Elk kind mag zelf kiezen op welke manier het zijn mening met anderen wil delen : praten, schrijven of een tekening maken.
  14. Alle kinderen hebben het recht op een eigen mening over de mensen en de wereld om zich heen. Ze mogen in iets geloven en aanvoelen wat goed en kwaad is. Elk kind heeft recht op een godsdienst. De ouders mogen hierbij helpen, maar niets opdringen.
  15. Ieder kind heeft het recht om met anderen samen te komen of een clubje op te richten.
  16. Elk kind heeft het recht op een privé-leven. Niemand mag zonder
    toestemming zijn brieven lezen of hem een slechte naam geven.
  17. Ieder kind heeft recht op informatie. De kranten, radio, tv en het internet geven info waaruit kinderen iets kunnen leren. Volwassenen moeten ervoor zorgen dat kinderen niet naar programma’s of boodschappen kijken of luisteren die niet geschikt zijn. Er moeten boeken en programma’s op radio en tv zijn die speciaal voor hen gemaakt worden.
  18. Ouders moeten hun kind helpen opgroeien. Dat is zowel de taak van de vader als van de moeder. Als ouders dit niet alleen kunnen, krijgen ze hulp of zal iemand anders het in hun plaats doen. Op de uren dat ouders werken, moeten kinderen naar een kinderopvang kunnen.
  19. Niemand mag kinderen slecht behandelen. Er moet voor gezorgd worden dat ze niet gepest of geslagen worden, ook niet door de ouders. Ze moeten altijd verzorgd worden als dat nodig is.
  20. Een kind dat niet bij zijn eigen ouders kan blijven, moet een plaats krijgen in een ander gezin of in een speciaal tehuis bij andere kinderen.
  21. Wanneer een kind dat niet meer bij zijn eigen ouders kan wonen, nieuwe ouders krijgt, spreken we van adoptie. Dat kan alleen gebeuren met toestemming van een rechter en als het leven van het kind zo verbetert. Als adoptie in eigen land niet kan, krijgen kinderen nieuwe ouders in een ander land.
  22. Soms vluchten kinderen weg uit hun land omdat er bijvoorbeeld geen eten of oorlog is. Die kinderen hebben recht op hulp om te overleven en later hun familie terug te vinden.
  23. Elk kind met een handicap heeft recht op extra verzorging en dezelfde kansen als elk ander kind. Als het kind volwassen is, moet het zoveel mogelijk kunnen doen wat een niet-gehandicapt kind kan. De ouders van een kind met een handicap moeten speciale hulp krijgen om het kind te verzorgen.
  24. Ieder kind heeft het recht op de best mogelijke gezondheid. Alles wat slecht is voor zijn gezondheid moet verboden worden. Ouders moeten de nodige bescherming bieden tegen ziektes en ongevallen. Als een kind ziek is, moet het naar de dokter kunnen. Zwangere vrouwen en pasgeboren baby’s hebben recht op speciale zorg om te voorkomen dat ze sterven. Alle kinderen hebben recht op drinkbaar water en eten. Kinderen mogen geen gevaar lopen door milieuvervuiling. Volwassenen en kinderen hebben het recht om te weten hoe ze hun gezondheid kunnen verbeteren.
  25. Elk kind dat niet bij zijn ouders woont, moet goed behandeld worden. Dit onder het toeziende oog van de overheid.
  26. Ieder kind heeft recht op voorzieningen van sociale zekerheid die er in zijn land zijn. Dit zorgt ervoor dat er zo weinig mogelijk kinderen in armoede leven.
  27. Ieder kind moet voldoende kansen krijgen om goed op te groeien. Als ouders het moeilijk hebben om aan gezonde voeding, genoeg kleding of een goed huis te raken, hebben ze recht op hulp.
  28. Elk kind heeft het recht, en de plicht, om tot een bepaalde leeftijd naar school te gaan. Sowieso hebben kinderen er voordeel bij dat ze zo lang mogelijk naar school kunnen gaan en dat ze zich er goed voelen. Voor kinderen die jonger zijn dan twaalf jaar, moet onderwijs gratis zijn.
  29. Kinderen moeten op school van alles kunnen leren. Over de rechten van de mens bijvoorbeeld of over respect voor mensen die een andere taal spreken of uit een ander land komen. Maar ook over respect voor de natuur. Naar school gaan is belangrijk omdat het kinderen voorbereidt op het leven als volwassene.
  30. Kinderen van minderheden of kinderen in een nieuw land hebben het 30 recht op hun eigen cultuur en godsdienst te beleven of hun eigen taal te gebruiken.
  31. Ieder kind heeft recht op rust en vrije tijd (spelen, sporten, met kunst bezig zijn).
  32. Kinderen hebben het recht om beschermd te worden tegen zwaar, gevaarlijk of ongezond werk. Het mag hen niet beletten om naar school te gaan. Indien kinderen werken, moet dat in een veilige omgeving en voor een degelijk loon.
  33. Kinderen moeten beschermd worden tegen drugs. Ze mogen ze niet kopen, verkopen of zelf maken. Ouders mogen hun kinderen niet het slechte voorbeeld geven.
  34. Kinderen moeten beschermd worden tegen sexueel misbruik.
  35. Volwassenen moeten ervoor zorgen dat kinderen niet ontvoerd of verkocht worden.
  36. Volwassenen mogen kinderen niet verplichten om iets te doen dat schadelijk is.
  37. Kinderen die iets mispeuterd hebben, mogen nooit in dezelfde gevangenis als volwassenen opgesloten worden. Opsluiting kan pas als het echt niet anders kan en dan alleen als ze goed behandeld worden, hun ouders mogen zien en, indien nodig, hulp krijgen. Ze kunnen nooit de doodstraf of een levenslange gevangenisstraf krijgen of gefolterd worden. De rechter, politie en gevangenisbewakers moeten zich aan alle regels houden.
  38. Geen enkel kind, jonger dan 15 jaar, mag soldaat worden en vechten in een oorlog. Kinderen die in oorlogsgebied wonen, hebben recht op extra bescherming en verzorging.
  39. Alle kinderen die slecht behandeld geweest zijn of iets vreselijks hebben meegemaakt, hebben recht op speciale hulp.
  40. Een kind dat verdacht wordt van een misdaad moet correct behandeld worden. Er moet steeds bewijs zijn dat het kind de dader is. Elk kind heeft in dat geval recht op een advocaat. Opsluiting mag alleen als het echt nodig is.
  41. Als de wetten van een bepaald land kinderen nog meer rechten geven dan in dit Verdrag staan, hebben die wetten voorrang.
  42. Volwassenen moeten andere volwassenen en kinderen zoveel mogelijk vertellen over het bestaan van kinderrechten en het Kinderrechtenverdrag.
  43. Regelmatig wordt er een groep kinderrechtenspecialisten samengebracht in het “Comité voor de Rechten van het Kind”. Zij lezen alle teksten die de landen opsturen en geven hierover hun opmerkingen.
  44. De Ministers moeten teksten schrijven waarin ze bewijzen wat ze in hun land doen voor de kinderrechten. Deze teksten worden naar het “Comité voor de Rechten van het Kind” gestuurd.
  45. Het is de bedoeling dat iedereen samen werk maakt van de kinderrechten overal ter wereld.
  46. Elk land, waar ook, mag het kinderrechtenverdrag ondertekenen.
  47. In elk land moeten alle Ministers akkoord zijn om het Verdrag te ondertekenen.
  48. Als een nieuw land wil meedoen, moeten de Verenigde Naties hun toestemming geven.
  49. Het Verdrag begint te tellen een maand na de goedkeuring en ondertekening.
  50. De Ministers van elk land kunnen voorstellen om een deel van het Verdrag te veranderen. Daarover moet dan wel eerst gestemd worden door de Verenigde Naties. Pas bij een meerderheid van stemmen wordt het voorstel aanvaard.
  51. Sommige Ministers laten in het verdrag opschrijven dat het in hun land moeilijk is om alle kinderrechten te respecteren. De Verenigde Naties mogen op dat ogenblik alsnog weigeren om dat land toe te laten.
  52. De Ministers van een land kunnen per brief aan de Verenigde Naties laten weten dat ze niet meer meedoen met het Verdrag.
  53. Alle ondertekende kopieën van het Verdrag worden achter slot en grendel bijgehouden door de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.
  54. Het allereerste Verdrag wordt streng bewaakt en bewaard door de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

Dit zijn jou rechten !